Blog Anna Noord 6: Nieuwe zeilplannen
De ingang van de Tyne rivier heeft forse pieren
Reisverhalen

Blog Anna Noord 6: Nieuwe zeilplannen

Zeilend vanuit Nederland richting IJsland en terug, deel 6

Greetje Tops
8 minuten

Janneke Kuysters en Wietze van der Laan zijn weer op reis met hun zeiljacht Anna Caroline. In hun nieuwe zesdelige blog Anna Noord nemen ze de lezers mee aan boord. Dit keer zetten ze koers vanuit Nederland richting IJsland, op zoek naar nieuwe havens, ervaringen en verhalen in het hoge noorden – en weer terug. Deel 6 van 6: Nieuwe zeilplannen.

Blog Anna Noord: Nieuwe zeilplannen

De wekker gaat, en met een tikje zet ik ‘m op ‘nog vijf minuutjes’. Langzaam word ik wakker en denk aan de dag die voor ons ligt. Alles is klaar voor ons vertrek van de Shetland eilanden naar Noorwegen, over een uurtje willen we varen. Zoals me wel vaker gebeurt, vertelt m’n intuïtie me iets anders: we gaan niet varen vandaag. Ik kan er de vinger niet op leggen waarom ik dat gevoel heb. Dus pak ik m’n telefoon en kijk naar het weerbericht.

Dat is het dus: de harde noordoostenwind zet veel langer door dan verwacht en inmiddels staat er zo’n vier meter golfhoogte in de kaart. Ruim twee meter deining en de rest windgolven. Tsja, gaan we daar 160 mijl hoog aan de wind tegenin? Wietze is inmiddels ook wakker en kijkt mee. Hij barst in lachen uit en draait zich om, met alleen nog de opmerking: “betaal jij online even voor een nachtje extra?” voordat hij indut. Ik grinnik om het gemak waarmee hij het onvermijdelijke accepteert en draai me ook maar om.

Dan maar naar Engeland

Bij het ontbijt kijken we eens goed naar onze opties. “Weet je, die Britse oostkust is niet zo toegankelijk met onze diepgang, maar er zijn echt wel goede plekken te vinden. Het weer is zo instabiel dat ik het niet zo’n goed idee vind om ons op de zuid-Noorse kust vast te pinnen. De weergaten zijn gewoon steeds te kort. Laten we het probleem hanteerbaar houden en in stappen zuidwaarts gaan. Zodra we dan een gaatje zien, wippen we over naar Nederland,” zegt Wietze. Ik knik en pak de Reeds erbij. We lopen alle havens en ankerplaatsen langs en maken een lijst van opties. Het handigst lijkt een wat langere ruk naar de Tyne rivier, waar in North Shields een goede jachthaven is waar we zelfs met laag water in kunnen. 

De volgende dag is de noordenwind zo’n 20 knopen, de golfhoogte is afgenomen en we gaan ervoor. Champagne-zeilen: we genieten enorm van de vaart die we lopen en kijken onze ogen uit naar de Jan-van-Genten om de boot heen. De mijlen vliegen onder ons door en we kunnen ons geluk niet op als we de volgende dag een groepje grienden op bezoek krijgen, met in hun kielzog een groep dolfijnen die ons urenlang escorteren. De nachten worden steeds langer en donkerder, maar bij elke wachtswissel blijven we naar elkaar grijnzen: het gaat zó lekker. De wind zakt er, zoals verwacht, langzaam uit, maar we gaan de 320 mijl in recordtijd doen.

Sluis

De laatste middag wordt de sfeer toch wat gespannener: we weten dat we om ongeveer één uur ’s nachts de rivier op varen. In het donker, iets dat we liever niet doen. Zeker ook omdat we een knoop of twee stroom achter ons aan krijgen. Na anderhalve mijl op de rivier ligt er een rode boei, waar we stuurboord uit moeten naar een sluis, die 24 uur per dag bediend wordt. Daarachter ligt de jachthaven. We prenten ons alle details in het hoofd, zodat we alles feilloos kunnen vinden. Maar toch blijkt dat in het donker lastig te zijn. Ik bel de haven en een heel geduldige man praat ons er in alle rust doorheen. Voor we het weten, liggen we in het sluisje en nog geen kwartier later op een prachtige plek in de haven. De medewerker van de jachthaven overhandigt ons, ondanks dat het midden in de nacht is, een stapeltje informatie. We bedanken hem hartelijk en lachen als hij vraagt: “hoe lang blijven jullie?” “Dat kan zomaar een week duren,” zegt Wietze. We voelen de zuidenwind al aantrekken. Blij dat we nét daarvoor binnen zijn!

Hadrianus

De volgende ochtend blijkt dat we inderdaad nog wel even hier zijn. Stiekem ben ik daar blij om. Er is hier zoveel te zien. Wietze kijkt me bij het ontbijt al verwachtingsvol aan en grinnikt: “heeft ons Hoofd Uitstapjes al een plan?” Met een klik rond ik de reservering voor een huurauto af en som op: “vandaag gaan we de benen strekken naar Tynemouth, waar een mooie ruïne van een klooster staat. Morgen rijden we langs de muur van Hadrianus, wat mij betreft een ‘bucketlist-dingetje’. Overmorgen gaan we toeren langs de kust van Northumberland. En als we dan nog de puf hebben: we kunnen met de trein naar Edinburgh.” Wietze rolt met z’n ogen. “Hoe doe je dat toch zo snel?”

Het is prachtig weer, want de wind blaast de warme lucht uit het zuiden naar het noorden. We genieten enorm van al het moois dat dit deel van Engeland te bieden heeft. De Romeinse erfenis van de kloeke muur van Hadrianus, forten en badhuizen; de eeuwenoude kastelen langs de prachtige kustlijn en de gekte van het Schotse Fringe Festival in Edinburgh. En nog een onverwachte ontmoeting: we hadden al regelmatig contact met zeilvriend Hans, die op de Zeevalk dezelfde worsteling met het weer beleeft als wij. Ook hij maakt uitstapjes vanuit de haven waar hij ligt. En bij stom toeval lopen we elkaar in Warkworth tegen het lijf. Gelukkig vlakbij een pub, waar we uitgebreid bij kunnen praten.

Motorzeilen

Na nog één keer uitgebreid en luxe douchen in de (in onze ogen) beste jachthaven-badkamers ter wereld, nemen we afscheid van de zeer gastvrije havenmeesters en gooien we los, op weg naar Lowestoft. Het weergat is niet ideaal, maar we doen het er maar mee. De eerste dag worstelen we met harde, vlagerige wind. De windvaan blijft dapper de goede kant op sturen. Daarna zakt de wind eruit en wordt het motorzeilen. Maar die lichte wind valt in het niet bij het enorme voordeel dat we met de stroom hebben.

De 200 mijl naar Lowestoft gaat weer hard; we snappen niet altijd waarom. Officieel zouden we toch ook een keer stroom tegen moeten hebben, maar die tegenstroom lijkt te verwaarlozen in vergelijking met de stroom die we mee hebben. Bij Grimsby is het heel druk: veel scheepvaart en grote windmolenparken zorgen voor nachtwachten die, al dan niet nagelbijtend, voorbij vliegen. De laatste 17 mijl voor Lowestoft sturen we door het smalle kanaal tussen de kust en de Scroby Sands zandbank; de stroom zet daar nog een tandje bij en binnen twee uur kunnen we de stootwillen en meerlijnen klaarleggen voor het afmeren bij de Royal Norfolk and Suffolk Yacht Club. Het iconische clubhuis torent boven de haven uit en ook hier is er een warm welkom voor ons.

Serendipiteit

De volgende ochtend zitten we weer met onze neuzen op de schermen voor het volgende weergat. “Gaat nog wel een paar dagen duren,” is het gezamenlijke oordeel. Het is stralend weer en voor het eerst in deze zomer komen de korte broeken uit de kast! Onze nog steeds winters-bleke benen smeren we dik in tegen het UV-bombardement tijdens een lange strandwandeling. ’s Avonds zeg ik tegen Wietze: “morgen nemen we de trein naar Norwich.” “Norwich?” “Ja, het lijkt me een interessante plek. Maar als het niks is, zijn we in drie kwartier weer terug.”

Norwich blijkt een echte serendipiteit: een prachtig stadje met een gezellig centrum, een schitterende kathedraal, een mooi opgeknapt kasteelmuseum en heerlijke knusse straatjes. We brengen er een leuke dag door. Op de terugweg rijdt de trein weer door het Norfolk Broads nationale park. We zien witte zeilen boven het grasland uitsteken, een beetje zoals in Friesland. Huh? Als we de kaart erbij pakken, zien we dat het inderdaad krioelt van de waterwegen. Nog even doorzoekend, blijken er wel veel vaste bruggen te zijn. Er zijn meerdere verhuurders die traditionele zeiljachten verhuren, waarvan de mast omlaag kan om onder de bruggen door te komen. “Lijkt me geweldig, een weekje met zo’n bootje hier varen,” zegt Wietze enthousiast. Het lijkt me ook fantastisch, zeker in zo’n klassieker.

Nieuwe zeilplannen

En dan is het eindelijk zover: we hebben een gaatje van 24 uur om naar Nederland over te steken. Het wordt onderhand tijd, maar ik moet zeggen dat de omweg via de Engelse oostkust alleen maar leuke dingen gebracht heeft. Het wordt een mooie oversteek: sterrennacht, redelijke bries en wat rock & roll in de golven, na de harde wind van de afgelopen dagen. Als IJmuiden bijna in zicht is, zegt Wietze: “en, wat gaan we volgend jaar doen qua zeilplannen? Met deze prachtige IJslandreis hebben we alle Scandinavische kusten verkend.”

“O, ik zou nog wel een keer op en neer naar Helsinki willen. Die scherenkust van Zweden en Finland is zo mooi.” Wietze fronst. “Ik zou wel een keer in wat ondieper water willen varen. Droogvallen, spelen met de stroom. Dat soort dingen.” Ik huiver. “Met wadpoten of zo?” “Nee, met een andere boot.” Ik leg mijn hand op Anna Carolines dek, stil van schrik.

Bijna honderdduizend mijl hebben we met haar gevaren; ik kan me een leven zonder haar niet voorstellen. Maar toch kriebelt er ook iets. “Je bedoelt met een ophaalbare kiel?” Wietze grinnikt om de emotionele achtbaan die hij achter mijn ogen ziet. “Ja, of iets kleiners, voor een heel ander vaargebied.” Mijn gedachten gaan terug naar de mensen die in de afgelopen jaren gezegd hebben: ‘als jullie ooit overwegen om te verkopen, laat het me weten’. Aspirant wereldreizigers met het avontuur in hun ogen en dromen in hun hart.

Het binnenvaren van de havenmonding van IJmuiden voelt anders: het is echt de afsluiting van vijf fantastische zomers waarin we zoveel gezien en beleefd hebben. Maar ook een gevoel van opwinding over het onbekende dat nog voor ons ligt.

Na een weekje scharrelen op het zoete binnenwater, varen we naar onze thuishaven in Lelystad. Havenmanager Camiel loopt net over de steiger als we de box in draaien. Hij pakt onze meerlijn aan en zegt grijnzend: “goed gepland, jullie zijn net op tijd terug voor de jaarlijkse barbecue!” Een mooiere afsluiting kun je je niet wensen.

Tekst en foto’s: Wietze van der Laan en Janneke Kuysters. Lelystad, september 2026.